BAROKMUZIEK UIT OOST-EUROPA
uitgevoerd door het barokensemble FERROFORTE
Jan Pieter van Eijkelenborg - blokfluit
Gregor Overtoom - barokviool
Simon Overtoom - barokcello
Pieter Rynja - clavecimbel
m.m.w van Liesbeth Brinkman - (mezzosopraan)
Programma
Stanislaw Sylwester Szarzynski (1e helft 17eeeuw)
Jesu spes mea
Adam Jarzębski (ca. 1649 - ?)
Chromatica
Vincenz Jeliç (1596 - ca. 1636)
O quam gloriosum es (1628)
O quam pulchra es
Sancta et immaculata
Tarquinio Merula (ca. 1595 - 1665)
Canzon La Noce (1651)
Adam Jarzębski (ca. 1649 - ?)
Berlinesa
Marcin Mielezewski (? - 1651)
Canzona a3
Damian Stachowicz (1638 - 1699)
Veni Consolator
Tarquinio Merula (ca. 1595 - 1665)
Ballo detto Gennaro (1637)
Gottfried Finger (ca. 1660 - 1730)
Sonate C-Dur (opus5/10)
Ivan Lukačič (1574? - 1648)
Cantabo Domino (1620)
Adam Jarzębski (ca. 1649 - ?)
Tamburrita
Toelichting
In de 17e eeuw bleven in Oost-Europa twee tradities toonaangevend, die van de volksmuziek en die van de Katholieke Kerk.
Missen en motetten vormden een wezenlijk onderdeel van de eredienst.
In de loop van de 17e eeuw brak de zon door, die van Italië met haar seconda prattica, de Vroegbarok, die opera's,
cantates en instrumentale werken opleverde. Het woord vierde hoogtij, zowel in profane als religieuze composities.
Ook in Oost-Europa werden de deuren opengezet voor Italiaanse componisten, instrumentalisten en meesters van de nieuwe zangstijl.
De basso continuo, versieringskunst, instrumentatie en het concerto met alle nadruk op contrast, licht en donker, vormden
langzaam maar zeker de ingrediënten van muziek, gepeperd met volksmelodieën en pregnante ritmiek. In manuscripten en uitgaven die de
Dertigjarige Oorlog en de Tweede Wereldoorlog overleefden, vinden we exponenten van de nieuwe muziek. Het Latijn bleef in gebruik,
maar ook in geestelijke muziek concentreerden componisten zich op het woord en zochten naar instrumentatie, expressie, kleur en
virtuositeit.
Zo schrijft Szarzynski zijn Jesu spes mea in belcanto-stijl en wordt de roep om hoop in een bijna hectische kortademigheid in solostem en instrumenten uitgebeeld.
Vincenz Jeliç werd geboren in Fiume, het huidige Rijeka, in Kroatië. Hij vervolgde zijn muzikale loopbaan in Graz en vertoefde in de Elzas, waar hij op het slagveld viel tijdens de Dertigjarige Oorlog. In 1628 kwam in Straatsburg zijn bundel Arion primus uit, waaruit gekozen is voor drie monodische motetten voor zang en basso continuo.
Adam Jarzębski begon zijn muzikale loopbaan in Berlijn, vereeuwigd in zijn Berlinesa, met contrastrijke
melancholische samenklank, bassolo's en suggestieve 'Battaglia'-ritmiek.
Zijn Italiaanse reis wordt beleefd in zijn Chromatica, waarbij hij aan het begin en eind zijn toevlucht zoekt tot de
traditionele canzona en in het centrum heftig experimenteert met fascinerende en tegendraadse chromatiek die we bij
Frescobaldi en Merula aantreffen.
Tarquinio Merula geldt als avant-gardist in de vroeg-Italiaanse Barok in de eerste helft van de 17e eeuw.
Hij pendelde op en neer tussen Cremona en Bergamo, was een lastpak op de 'transfermarkt', schreef strijkersmuziek en
vertoefde rond 1624 als organist aan het Hof in Warschau. De Pelplin Tabulatur bevat een groot aantal orgelcanzonas die
zeer goed in instrumentale zetting uitgevoerd kunnen worden.
In zijn Canzon la Noce uit 1651 kunt u naar hartelust over de huwelijksnacht fantaseren!
Uit 1637 klinkt ook nog zijn dansante Ballo detto Gennaro.
Marcin Mielczewski schreef imposante koorwerken met instrumenten en voelde zich volledig thuis in het uitbuiten
van de mogelijkheden van de Vroegbarok: zijn Canzon a3 vertoont virtuoze en obsederende passages, lyriek,
recitatief en verstilling, die elkaar op caleidoscopische wijze afwisselen.
De trompet was een geliefd instrument en statussymbool van macht. Zowel in geestelijke als wereldlijke composities wordt hij veelvuldig gebruikt. In zijn Veni Consolator lardeert de Poolse meester Damian Stachowicz zijn werk met vocale en instrumentale trompetklanken.
Ivan Lukačič studeerde in Rome en was daarna verbonden aan de kathedraal van Split in Dalmatie. Hij schreef een bundel met motetten voor een tot vijf stemmen. In zijn Cantabo wisselt hij constant van ritmiek, passend bij de lettergrepen en woordkeuze, geheel in stijl van de monodie met begeleiding.
Gottfried Finger werd in Moravië geboren en had via zijn beschermheer, de bisschop van Olmuetz, contact met het
Weense Hof. Hij was een begenadigd gambist. In tal van werken vertoont hij de virtuoze schrijfwijze van vioolcomponist
Schmelzer. Daarna trok hij naar Engeland en schreef er opera's, tussenspelen, kerkmuziek en talloze sonates in verschillende
combinaties voor hobo, blokfluit, viool, en gamba.
Zijn voorliefde voor de blokfluit blijkt ook uit een aantal variaties over een basthema, uitgegeven in de Division Flute in 1706.
Tijdens een orgelconcours werd hem slechts een vierde plek toegekend.
Dit maakte hem zo driftig dat hij Engeland terstond verliet, in Berlijn belandde en later in Mannheim stierf. De Sonate in C
vertoont contrasterende delen: dansvormen, recitatiefachtige gedeelten afgewisseld door hoekige en virtuoze soli in beider
stemmen. De tijd van de Hoogbarok is dan al aangebroken.
11.30 - 12.30 uur, Oosterkerk
€ 10,00 / CJP € 5,00

FerroForte en mezzosopraan Liesbeth Brinkman