De avond opent met een concert van het

Fontys Early Music Ensemble

o.l.v. Ildikó Hajnal

Het programma zal bestaan uit de volgende composities:

1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
O virum omnimoda
Fenice fu
Gran piant`agli
Muort`oramai
Cum altre ucele
Amor mi fa cantar
Per troppo
Dolce fortuna
Una Panthera
Merce o morte
Venicie mundi splendor
Or qua compagni
Staatmotet van Ciconia uit Bologna Q 15 Madrigal van Jacopo uit de Squarcialupi codex
Ballata van F. Landini uit de Squarcialupi codex
Ballata van F. Landini uit de squarcialupi codex
Madrigal uit de Rossi codex
Ballata uit de Rossi codex
Ballata uit de Rossi codex
Ballata van Johannes Ciconia uit de Lucca codex
Madrigal uit de Lucca codex, van J. Ciconia
Madrigal uit de Lucca codex, van J. Ciconia
Motet van J. Ciconia uit Bologna Q15
Caccia uit de Rossi codex

Toelichting op het Trecento-concert door Ike de Loos
In de veertiende eeuw ontstond in Italië een geheel eigen muziekstijl, vaak aangeduid met de term Trecento, de Italiaanse benaming voor de veertiende eeuw. Deze muziek bestaat uit meerstemmige liederen, in het begin vaak tweestemmig, maar in de loop der tijd krijgt de driestemmigheid de overhand. De liederen zijn allemaal wereldlijk; religieuze of kerkelijke muziek uit het Trecento is nauwelijks bekend.

De componisten waren daarentegen wel vaak clerici of monniken. In het grootste en beroemdste handschrift met Trecento-muziek, de Squarcialupi codex die rond 1415 vervaardigd werd, zijn in de randversiering veel 'componistenportretten' aangebracht: veel van hen zijn afgebeeld in habijt of priesterkleed. Vaak waren het mensen uit ambachtsfamilies die voor een kerkelijke carrière kozen. Bij die carrière hoorde muzikaal onderricht: om de liturgische zang te kunnen uitvoeren, moesten zij muziek kunnen lezen en schrijven. Dat maakte de meest getalenteerden onder hen tot gewilde musici: de rijke en aristocratische families in de Italiaanse steden maakten graag van hun diensten gebruik.

Veel van deze componisten kennen we bij hun voornaam en de plaats waar ze vandaan kwamen: Jacopo da Bologna bijvoorbeeld, Bartolino da Padua, Paolo da Firenze, allemaal komen ze uit bekende steden, vaak universiteitssteden of rijke handelssteden.

Zoals iedere muziekstijl zijn eigen vormen heeft, had het Trecento ook zijn liedvormen. Het madrigaal was er een van. Het woord betekent 'lied in de moedertaal', niet in het Latijn dus. Het bestond (anders dan het veel bekendere 16e-eeuwse madrigaal) uit enkele terzetten, gevolgd door een ritornello van een of twee regels. Vooral in de beginperiode van het Trecento was dit een belangrijke vorm; daarnaast was er de ballata, van oorsprong een dansliedje. In deze periode was de muziek vaak tweestemmig: een bovenstem met veel coloraturen, soms zeer virtuoos, boven een veel rustiger tenor. In de loop der tijd werd de muziek vaker driestemmig, en werd de ballata populairder ten koste van het madrigaal.
De onderwerpen van de madrigaal- en ballatateksten waren vaak idyllisch, en bevatten veel referenties aan de klassieke Oudheid.
Tegenover deze twee vormen stond de derde (en minst beoefende): de caccia. Deze bestond uit twee elkaar imiterende bovenstemmen, vaak boven een tekstloze tenorpartij. De caccia week hiermee in vorm af van madrigaal en ballata, maar was ook inhoudelijk anders: geen idyllische lentetafereeltjes met vogeltjes en bloemetjes, maar luidruchtige scènes: jacht-, vissers- of markttaferelen worden er neergezet.

Jacopo de Bologna hoort bij de Trecento-componisten van de eerste generatie, en heeft ongeveer rond het midden van de 14e eeuw gewerkt. Hij was een belangrijke componist, maar desondanks hebben we weinig concrete gegevens over hem. Wel weten we dat hij aan de hoven van Verona en Milaan gewerkt heeft. Hij schreef veel tweestemmige madrigalen.

Francesco Landini (die in de Squarcialupi codex wordt aangeduid als Franciscus cecus horghanista de Florentia: 'Franciscus, de blinde organist van Florence') was een generatie jonger; hij overleed in 1397. Hij is de beroemdste componist uit het Trecento en werd geprezen om zijn lieflijke melodieën en zoete harmonieën. Hij schreef een groot aantal ballata's, waaronder veel driestemmige.

Met de opkomst van de driestemmigheid werd een ontwikkeling ingezet die het einde van de typisch Italiaanse Trecento-stijl inluidde. De virtuoze bovenstem boven een rustig verlopende tenor werd steeds minder duidelijk waarneembaar, en de stemvoering en cadensvorming in de driestemmige ballata's ontwikkelde zich meer in de richting van de meerstemmige muziek zoals die in bijvoorbeeld Frankrijk bekend was. De typisch Italiaanse stijl maakte plaats voor een meer internationale stijl.

Johannes Ciconia, nog weer een generatie jonger en geboren te Luik, was de eerste componist die niet in Italië geboren was, maar wel Italiaanse muziek schreef. Zijn composities dateren van na ongeveer 1390. Naast de typisch Italiaanse ballata's beoefende Ciconia dan ook andere vormen, zoals het van origine Franse motet.

20.00 uur, Oosterkerk